“Tekst (aangepast) afkomstig uit toespraken als gastspreker aan het ”Future of Humanity Institute (Oxford University) en de Charity International Happiness Conference (2007)

PODCAST
download (15.3 MB)
running time 34 minutes

HET ABOLITIEPROJECT


INLEIDING

Deze voordracht gaat over lijden en de manier om het te laten verdwijnen.
Ik voorspel dat wij het lijden van alle levende wezens zullen afschaffen.
Onze nazaten zullen worden gedreven door gradiënten van een genetisch voorgeprogrammeerd welbevinden dat in zijn reikwijdte vele malen meer diepgang heeft dan de piekervaringen van vandaag de dag.

Om te beginnen zet ik uiteen waarom het technisch haalbaar is om de biologische voedingsbodem van elke onplezierige ervaring, of die nu psychisch of fysiek is, af te schaffen.
Ten tweede zal ik pleiten voor de doorslaggevende morele noodzaak van het abolitieproject, of men nu een ethische utilitarist van enigerlei soort is of niet.
Ten derde onderbouw ik waarom een revolutie in de biotechnologie dit teweeg zal brengen, al zal dat niet zo snel gaan als zou moeten.

1: WAAROM HET TECHNISCH HAALBAAR IS

Wat het lijden helaas niet zal doen verdwijnen, althans niet alleen, is socio-economische hervorming, of exponentiële economische groei, of technologische vooruitgang in de gebruikelijke zin, of een van de traditionele panaceeën die wereldproblemen moeten oplossen. Verbetering van de externe leefomgeving is lovenswaardig en belangrijk, maar kan onze hedonistische tredmolen niet herijken boven een genetisch bepaald plafond. Onderzoek naar tweelingen bevestigt dat er een [deels] erfelijke constante van welbevinden (of onwelbevinden) bestaat, waaromheen wij tijdens onze levensloop fluctueren. Deze stabiele toestand verschilt per individu. [Het is mogelijk om onze hedonistische constante te verlagen door langdurige, onbeheersbare stress op te leggen, maar zelfs zo’n terugstelling is niet zo gemakkelijk als hij klinkt: zelfmoordcijfers dalen doorgaans in oorlogstijd, en zes maanden na een ongeluk met totale verlamming tot gevolg zijn wij volgens onderzoek1 normaliter niet gelukkiger of ongelukkiger dan voor die catastrofe.] Jammer genoeg veranderen pogingen om een ideale maatschappij te bewerkstelligen niets aan dit biologische plafond, of die utopieën nu links of rechts zijn, vrijemarkteconomisch of socialistisch, religieus of seculier, futuristisch hightech of Voltairiaans je eigen tuintje onderhoudend. Zelfs al wordt alles verwezenlijkt wat traditionele futuristen wensen - eeuwige jeugd, onbeperkte materiële rijkdom, morfologische vrijheid, superintelligentie, immersieve virtual reality, moleculaire nanotechnologie, enzovoorts -, er is geen bewijs dat onze subjectieve kwaliteit van leven zonder verrijking van het ’reward pathway’ de gemiddelde levenskwaliteit van onze jagende en verzamelende voorouders (of van een hedendaagse Nieuw-Guinese inboorling) zou overtreffen. Deze stelling is lastig te bewijzen zonder een verfijnde neuroscan, hoewel hij wordt ondersteund door objectieve indices van psychische nood, zoals zelfmoordcijfers. Niet-verbeterde mensen zijn dan nog steeds bevattelijk voor het spectrum van darwinistische emoties, variërend van verschrikkelijk lijden tot triviale teleurstellingen en frustraties als verdriet, bezorgdheid, jaloezie en levensangst. Hun biologie is onderdeel van ‘wat het betekent mens te zijn’. Subjectief onplezierige bewustzijnstoestanden bestaan omdat ze genetisch adaptief zijn. Al onze kernemoties hadden in ons evolutionaire verleden een onmiskenbare signaalfunctie: zij bevorderden gedragingen die binnen onze voorouderlijke leefomgeving de inclusieve fitheid van onze genen versterkten.

Dus als manipulatie van onze externe leefomgeving op zichzelf nooit het lijden en onbehagen kan afschaffen, welke technische mogelijkheden werken dan wel?

Hier zijn drie scenario’s in oplopende volgorde van sociologische aannemelijkheid:

a) hersenimplantaten
b) utopische designerdrugs
c) genetische techniek
en - waar ik me op wil richten- de op handen zijnde voortplantingsrevolutie van designerbaby’s

a) Met hersenimplantaten worden de genotscentra in de hersenen rechtstreeks gestimuleerd via geïmplanteerde elektroden. Intracraniële zelfstimulatie brengt geen fysiologische of subjectieve tolerantie met zich mee, dat wil zeggen dat het na twee dagen net zo veel beloning oplevert als na twee minuten. Hersenimplantaten schaden anderen niet, veroorzaken geen ecologische voetafdruk, nemen psychische en fysieke pijn weg en vormen allicht een minder grote aanslag op de menselijke waardigheid dan geslachtsgemeenschap. Weliswaar is levenslang dragen van hersenimplantaten alleen een aantrekkelijk vooruitzicht voor een handvol ernstig depressieve mensen. Maar wat zijn de technische bezwaren tegen de toepassing ervan?

Welnu, hersenimplantaten vormen geen evolutionair stabiele oplossing: er zou selectiedruk zijn tegen een wijdverspreide toepassing. Hersenimplantaten bevorderen het koesterende gedrag niet: geïmplanteerden, of die nu menselijk of niet-menselijk zijn, willen geen babygeïmplanteerden grootbrengen. Eenvormige, ongenuanceerde gelukzaligheid in de vorm van hersenimplantaten of een equivalent daarvan zou bij een wereldomvattende toepassing een einde maken aan het menselijke experiment. Rechtstreekse neurostimulatie van de genotscentra vernietigt de gevoeligheid voor omgevingsprikkels. Dus uitgaande van de wens dat we slim willen zijn - en nog slimmer willen worden - zijn er verschillende opties. ‘Intelligent agents’ kunnen een motivationele structuur hebben die is gebaseerd op gradiënten van onwelbevinden, die kenmerkend is voor bepaalde hedendaagse, levenslang depressieve mensen. Daarnaast kunnen intelligent agents onze huidige, typerende melange van genot en pijn bezitten. Ten slotte kan de informatie-economie van de geest geheel gebaseerd zijn op [adaptieve] gradiënten van cerebrale gelukzaligheid – wat ik hier wil bepleiten.

Eigenlijk kan deze verwerping van hersenimplantaten overhaast zijn. In de verre toekomst is het wellicht mogelijk om alles wat onplezierig of routineus is af te schuiven op anorganische supercomputers, prothesen en robots terwijl wij ons wentelen in eenvormige, orgastische gelukzaligheid. Of misschien is dat geen orgastische gelukzaligheid, maar een andere tak van ideale gemoedstoestanden die gewoonweg niet te verbeteren vallen. Dat zijn echter speculaties. Wat onze uiteindelijke lotsbestemming ook is, toch is het volgens mij verstandig om ons te richten op zowel supergeluk als superintelligentie, in elk geval tot we de volledige implicaties begrijpen van wat wij doen. Supergeluk maximaliseren heeft niet dezelfde morele noodzakelijkheid als lijden afschaffen.

[Hierbij hoort de kanttekening dat de afschuifoptie uitgaat van de aanname dat anorganische computers, prothesen en robots geen subjectieve, waarneembare pijn ervaren (of althans niet hoeven te ervaren), ook al kunnen zij met hun functionele structuur schadelijke stimuli vermijden en erop reageren. De afwezigheid van anorganisch lijden is relatief oncontroversieel wanneer het bestaande computers aangaat - je PC uitzetten heeft weinig ethische implicaties, en een gecomputeriseerde robot kan zo worden geprogrammeerd dat hij agressieve zuren vermijdt zonder enige pijn te ervaren wanneer hij beschadigd raakt. Het is aanvechtbaar of een rekensysteem met een klassieke Von Neumann-cyclus ooit een interessant bewustzijn kan hebben. Zelf ben ik sceptisch. Maar hoe het ook zij, het heeft geen invloed op de afschuifoptie, tenzij men beweert dat de subjectieve aard van lijden functioneel essentieel is voor elk systeem dat in staat is om schadelijke stimuli te vermijden.]

b) De tweede technische optie voor uitroeiing van het lijden zijn futuristische designerdrugs. Is het in een tijdperk van volwaardige, post-genome geneeskunde rationeel mogelijk om werkelijk ideale genotsdrugs te ontwerpen die een levenslang, goed functionerend welbevinden opleveren zonder onaanvaardbare bijwerkingen? De formulering “ideale genotsdrugs” is een verkorte term, want in principe bepalen zulke drugs het cerebraal, esthetisch, empathisch en wellicht spiritueel welbevinden en niet alleen hedonistisch genot in de gebruikelijke eendimensionale en amorele zin van het woord.
We hebben het hier niet over recreatieve euforica die eenvoudigweg de negatieve terugkoppelingsmechanismen van de hersenen activeren, noch over de oppervlakkige roes van voldoening in een Brave New World, noch over drugs die een euforische manie oproepen, met zijn onbeheerste opwinding, verlies van kritisch inzicht, grootheidswaan en ongebreidelde ideeënstromen. Kunnen wij ware wondermiddelen ontwikkelen die subliem welbevinden op duurzame basis bewerkstelligen en de hedonistische tredmolen herijken om een hoge kwaliteit van leven voor iedereen te garanderen?

Veel mensen deinzen terug voor het woord ‘drugs’, wat begrijpelijk is gezien de kwalijke straatdrugs van tegenwoordig en hun weinig inspirerende medische tegenhangers. Toch gebruiken zelfs academici en intellectuelen in onze maatschappij vaak de prototypische domme drug, ethylalcohol. Als het sociaal aanvaardbaar is om een drug te gebruiken die je tijdelijk gelukkig en dom maakt, waarom dan niet op rationele basis drugs ontwikkelen waardoor mensen structureel gelukkiger en slimmer worden? Om het risico van misbruik in te perken, moet een ideale genotsdrug waarschijnlijk - op één beperkt, maar belangrijk vlak - lijken op nicotine, waarbij de hersenen van de roker het optimale niveau subtiel kunnen ijken: een onbeheerste dosisescalatie komt niet voor.

Op drugs gebaseerde oplossingen kennen uiteraard allerlei obstakels. Technisch kunnen die obstakels volgens mij wel worden overwonnen, maar dat wil ik hier niet aantonen. Er is een kwestie die dieper gaat. Als er niet iets fundamenteel fout zat - of in elk geval fundamenteel inadequaat was - aan onze bestaande, natuurlijke bewustzijnstoestand die de evolutie heeft voortgebracht, dan zouden we er niet zo om staan te springen om hem te veranderen. Zelfs als hij niet onplezierig is, is het alledaagse bewustzijn middelmatig vergeleken bij wat wij piekervaringen noemen. Ons gewone, alledaagse bewustzijn was waarschijnlijk adaptief in die zin, dat het de genen hielp om meer duplicaten van henzelf achter te laten in de Afrikaanse savanne. Maar waarom zouden we hem voorgoed als standaardtoestand behouden? Waarom veranderen we de menselijke aard niet door onze genetische code letterlijk te repareren?

Ook deze verwerping van farmacologische oplossingen kan overhaast zijn. Het is best mogelijk dat utopische designerdrugs altijd nuttig zijn voor een fijnbesnaarde en direct omkeerbare beteugeling van het bewustzijn. Zelf beschouw ik designerdrugs als een onontbeerlijk gereedschap om allerlei bewustzijnstoestanden te verkennen. Maar zou het niet beter zijn als we allemaal werden geboren met een genetische aanleg voor psychische supergezondheid in plaats van een noodzaak van chronische zelfmedicatie? Zou zelfs de hartstochtelijkste abolitionist serieus voorstellen om alle kinderen vanaf hun geboorte drugscocktails toe te dienen en daarna de rest van ons leven zulke drugscocktails te blijven innemen?

c) Ten derde zijn er dus genetische oplossingen die zowel somatische therapie als kiemlijntherapie behelzen.
Dit moet in de juiste context worden bezien. Er bestaat tegenwoordig een minderheid van mensen die altijd depressief ofwel dysthym zijn, zij het in variërende gradaties. Onderzoek naar monozygote en dizygote tweelingen bevestigt dat er voor depressie een hoge mate van genetische aanleg bestaat. Omgekeerd zijn er mensen die van nature optimistisch zijn. Naast deze optimisten is er een zeer kleine minderheid die door psychiaters hyperthym wordt genoemd. Hyperthyme mensen zijn niet manisch of bipolair. Maar volgens hedendaagse normen zijn ze altijd bijzonder gelukkig, al zijn sommigen gelukkiger dan anderen. Hyperthyme mensen reageren ‘gepast’ en adaptief op hun omgeving. Sterker nog, ze zijn doorgaans energiek, productief en creatief. Zelfs als ze gelukzaligheid ervaren, laten zij zich daar niet door overweldigen.

Hoe zou het zijn als wij er als gehele beschaving voor zouden kiezen om genetisch hyperthym te worden - om een motivationeel systeem toe te passen dat geheel door adaptieve gradiënten van welbevinden wordt aangedreven? Of nog radicaler, kunnen wij zodra de genetische basis van de hedonistische tonus doorgrond is, ervoor kiezen om meerdere extra exemplaren van hyperthymiebevorderende gen/allelcombinaties en hun regulerende promotors toe te voegen, niet om de homeostase en hedonistische tredmolen af te schaffen maar om onze hedonistische constante op een veel hoger niveau in te stellen?

Drie opmerkingen hierover:
Ten eerste lijkt deze genetische herijking een ander soort eenvormigheid te bevorderen. Maar vergeet niet dat gelukkigere mensen (en vooral hyperdopaminerge mensen) doorgaans goed reageren op een breder scala aan potentieel belonende stimuli dan depressieve mensen: zij vertonen meerverkennend gedrag. Hierdoor wordt het vastzitten in een suboptimale sleur minder waarschijnlijk, zowel voor het verbeterde individu als voor de postmenselijke samenleving als geheel.

Ten tweede wekt universele hyperthymie de schijn van een gigantisch experiment, en dat is het in zekere zin ook wel. Maar alle seksuele voortplanting is een experiment. Wij spelen genetische roulette als we de genetische dobbelstenen gooien. De meesten van ons krimpen ineen bij het woord “eugenetica” maar dat is wat we feitelijk praktiseren, hoe primitief en knullig ook, wanneer we onze toekomstige levensgezellen uitkiezen. Het verschil is dat binnen een paar decennia toekomstige ouders steeds rationeler en verantwoordelijker kunnen handelen wanneer ze knopen doorhakken omtrent hun voortplanting. Pre-implantatiediagnostiek zal onderdeel worden van de routine; kunstmatige baarmoeders zullen ons verlossen van de beperkingen van het menselijke geboortekanaal; en een revolutie in de voortplantingsgeneeskunde zal de oude darwinistische loterij geleidelijk overbodig maken. De vraag is niet of er een voortplantingsrevolutie in aantocht is, maar eerder welke soorten wezens (en welke soorten bewustzijnstoestanden) wij willen creëren.

Een derde bezwaar is dat deze voortplantingsrevolutie wellicht een privilege wordt van een welgestelde, westerse elite. Lang zal dat echter niet duren. Vergelijk de korte tijd tussen de introductie van bijvoorbeeld mobiele telefoons en hun wereldwijde omarming met de vijftig jaar tussen de introductie en wereldwijde beschikbaarheid van de radio, en met de twintig jaar tussen de introductie en algehele aanvaarding van televisie. De tijd tussen de eerste introductie en de uiteindelijke wereldwijde aanvaarding van nieuwe technologieën wordt in rap tempo steeds korter. En de prijs wordt natuurlijk in rap tempo lager.

Nu ja, een van de voordelen van herijking van de hedonistische tredmolen in plaats van totale afschaffing ervan (tenminste in de nabije toekomst) is dat de functionele analogieën van pijn, bezorgdheid, schuldgevoel en zelfs depressie bewaard kunnen blijven zónder hun scherpe randjes zoals we ze nu kennen. We behouden dus de functionele analogieën van ontevredenheid - allicht de voortstuwende kracht achter de vooruitgang - en ook het onderscheidend vermogen en kritisch inzicht dat een euforische maniak ontbeert. Zelfs wanneer de hedonistische tonus aanmerkelijk verhoogd wordt en zelfs als onze beloningscentra fysiek en functioneel vergroot worden, dan nog is het in principe mogelijk om veel van onze bestaande voorkeurenstructuur te bewaren. Als je Mozart boven Beethoven verkiest, of filosofie boven kinderspel, dan kun je je voorkeuren bewaren, ook al is je hedonistische tonus aanmerkelijk verhoogd.

Persoonlijk vind ik het echter beter om onze voorkeurenstructuur radicaal te veranderen en een [vergeef me het jargon] ‘reëncefalisering van emoties’ na te streven. Ten bate van onze genen heeft de evolutie via natuurlijke selectie ons de sterke neiging gegeven tot de ontwikkeling van allerhande disfunctionele voorkeuren die zowel onszelf als anderen schaden. Denk maar eens aan Genghis Khan: ‘Het hoogste geluk ligt in het uiteenslaan van je vijand, hem voor je uit te drijven, zijn steden in de as te leggen, zijn geliefden in tranen te zien en zijn vrouwen en dochters voor jezelf op te eisen.’

Nu is mij verteld dat de academische wereld best meevalt, maar zelfs het universitaire leven kent vormen van hoffelijke wreedheid, in zijn competitieve statusbepaling en de dominantierituelen van alfamannetjes: een nulsomspel met vele verliezers. Onze voorkeuren vertonen maar al te vaak akelige gedragingen en bewustzijnstoestanden die over het algemeen genetisch adaptief waren in onze voorouderlijke leefomgeving. Zou het niet beter zijn om onze eigen gecorrumpeerde code te herschrijven? Ik heb me hier gericht op de genetische verhoging van de hedonistische tonus. Beheersing van de biologie van emoties betekent echter dat wij bijvoorbeeld ons vermogen voor empathie kunnen vergroten via een functionele versterking van spiegelneuronen en een duurzame toename van oxytocine-afgifte ter bevordering van vertrouwen en vriendelijkheid. Op vergelijkbare manier kunnen we de moleculaire handtekening identificeren van, laten we zeggen, spiritualiteit, esthetiek of ons gevoel voor humor en vervolgens ook hun psychologische mechanismen reguleren en extra benadrukken. Vanuit het perspectief van informatietheorie is onze absolute positie op een hedonistische schaal minder belangrijk voor een adaptieve, flexibele, intelligente reactie op de wereld om ons heen, dan het feit dat we in onze informatieverwerking gevoelig zijn voor verschillen. Informatietheoretici definiëren informatie soms zelfs als ‘een verschil dat verschil uitmaakt’.

Toch wil ik opnieuw benadrukken dat deze reëncefalisering van emoties facultatief is. Het is technisch mogelijk om te sleutelen aan het welbevinden van elk bewust wezen en onze bestaande voorkeurenstructuur grotendeels, maar niet helemaal, te behouden. De drie technische opties die ik heb gepresenteerd om het lijden af te schaffen - hersenimplantaten, designerdrugs en genetische techniek - sluiten elkaar niet uit. Zijn ze afdoende? Zelf ken ik geen andere uitvoerbare opties. Sommige transhumanisten geloven dat wij ooit allemaal gescand, gedigitaliseerd en in een anorganische computer geupload en geherprogrammeerd kunnen worden. Tja, misschien. Ik ben sceptisch. Maar dit voorstel biedt hoe dan ook geen oplossing voor het lijden van het bestaande organische leven tenzij we het zogenaamde destructief uploaden toepassen. Deze Holocaustoptie laat ik uiteraard buiten beschouwing.

2: WAAROM HET NOODZAKELIJK IS

Laten we aannemen dat we binnen de komende paar eeuwen dergelijke goddelijke machten over onze emoties krijgen. Laten we verder aannemen dat de signaalfunctie van onplezierige ervaringen vervangen kan worden - hetzij via de herijking die hier wordt voorgesteld, hetzij via het afschuiven van alles wat onprettig of routineus is op anorganische prothesen, bionische implantaten of anorganische computers - of misschien door rechtstreekse uitschakeling, bijvoorbeeld in het geval van zoiets als jaloezie. Waarom moeten wij allen abolitionisten zijn?

Voor een klassiek utilitarist zal het abolitieproject vanzelfsprekend zijn: het bestaat uit Bentham plus biotechnologie. Men hoeft geen klassiek utilitarist te zijn om het lijden te willen afschaffen. Maar elke klassieke utilitarist hoort het abolitieproject te omarmen. Bentham legde de nadruk op sociale en juridische hervormingen, wat op zichzelf uitstekend is. Maar hij verrichtte zijn werk voordat het tijdperk van biotechnologie en genetische geneeskunde aanbrak.

Ook een wetenschappelijk verlichte boeddhist zal het abolitieproject steunen. Als wereldreligie is het boeddhisme uniek, doordat het lijden een centrale plaats inneemt. Boeddhisten mogen denken dat het Edele Achtvoudige Pad een zekerder route naar het nirwana biedt dan genetische techniek. Maar wanneer biotechniek daadwerkelijk resultaten oplevert, kan een boeddhist daar in principe weinig tegenin brengen. Boeddhisten richten zich op het opheffen van lijden via de uitdoving van begeerte. Maar deze technisch haalbare optie leidt misschien tot een gestagneerde samenleving. In plaats daarvan is het mogelijk om zowel het lijden af te schaffen en allerlei wensen te blijven koesteren.

Het wordt lastiger om aanhangers van de islam of van de joods-christelijke traditie over te halen. Maar gelovigen beweren dat Allah/God oneindig mededogend en genadig is - ondanks de anomalieën in het empirische bewijs. Dus als gewone stervelingen zich een voorstelling kunnen maken van het welbevinden van alle bewuste wezens, lijkt het godslasterlijk om te stellen dat God beperkter is in de reikwijdte van Zijn goedheid.

De meeste hedendaagse filosofen zijn geen klassieke utilitaristen, boeddhisten of theïsten. Waarom zou bijvoorbeeld een ethisch pluralist het abolitieproject serieus nemen? Ik geef graag het woord aan Shakespeare:

“Want nimmer bestond er een filosoof
Die kiespijn met geduld verdroeg”

[Much Ado About Nothing, scène 5, Akte 1 (Leonato spreekt)]
Wanneer je wordt overvallen door een ondraaglijke fysieke pijn, besef je altijd met een schok hoe angstaanjagend dat kan zijn. Het is verleidelijk om te veronderstellen dat puur ‘psychische’ pijn - eenzaamheid, afwijzing, levensangst, rouw, bezorgdheid, depressie - niet zo afschuwelijk kan zijn als extreme fysieke pijn. Toch is psychisch leed de belangrijkste reden waarom elk jaar wereldwijd 800.000 mensen zich van het leven beroven. Het is niet zo dat andere dingen, zoals grote kunst, vriendschap, sociale rechtvaardigheid, gevoel voor humor, persoonlijke ontwikkeling of academische prestaties etc. niet waardevol zijn. Wanneer echter in ons leven of in het leven van een geliefde een intens fysiek of psychisch lijden de kop op steekt, beseffen we dat deze intense pijn een onmiddellijke prioriteit en urgentie heeft. Als je kronkelt van de pijn omdat je zojuist je vingers tussen de deur hebt gekregen, maak je korte metten met iemand die je aan hoogstaandere zaken in dit leven wil herinneren. Als je radeloos bent na een stukgelopen liefde, wil je er niet tactloos op gewezen worden dat het buiten zulk prachtig weer is.

Goed, zolang het voortduurt, heeft extreme pijn of psychisch lijden een urgentie en prioriteit die voorrang krijgt boven je overige levensprojecten. Maar wat dan nog? Waarom zou je de draad van je leven niet gewoon weer oppikken zodra het leed geleden is?
Welnu, de natuurwetenschap streeft naar ‘een blik vanuit het niets’, het perspectief van een denkbeeldige godheid. De fysica vertelt ons dat geen enkel hier-en-nu belangrijker is dan een ander hier-en-nu; ze zijn alle even reëel zijn. De wetenschap en techniek zullen ons binnenkort over de gehele levende wereld goddelijke krachten geven die passen bij dit goddelijke perspectief. Ik betoog, dat zolang er een bewust wezen leed ondervindt dat lijkt op ons eigen lijden, dit leed moet worden aangepakt met dezelfde prioriteit en urgentie alsof het onze eigen pijn of die van een geliefde betreft. Macht maakt medeplichtig. Goddelijke macht brengt goddelijke verantwoordelijkheden met zich mee. Zodoende kan het bestaan van lijden bijvoorbeeld tweehonderd jaar geleden verschrikkelijk zijn geweest. Maar het kan niet zomaar redelijkerwijs ‘immoreel’ genoemd worden, omdat er weinig aan te doen was. Dankzij de biotechnologie kan dat nu wel - of in elk geval binnenkort. Binnen een paar honderd jaar zal elke soort lijden facultatief worden.

Als je geen klassieke ethische utilitarist bent, is het voordeel van herijking van de hedonistische tredmolen in plaats van een poging om supergeluk te maximaliseren, dat je in elk geval een herkenbare vorm van onze bestaande voorkeurenstructuur behoudt. De herijking van de hedonistische tredmolen kan op één lijn gebracht worden met je bestaande waardepatroon. Vandaar dat zelfs een zogeheten ‘voorkeuren-utilitarist’ zich hierin kan vinden. Beheersing van de emoties betekent namelijk dat je je bestaande levensdoelen effectiever kunt nastreven.
Maar hoe zit het dan met de vermeende karaktervormende functie van het lijden? ‘Wat mij niet doodt maakt mij sterker’, zei Nietzsche al. Die bezorgdheid lijkt me misplaatst. Indien andere factoren gelijk blijven, versterkt een verhoogde hedonistische tonus de motivatie - en worden we dus psychisch gezonder. Een langdurige gedeprimeerde stemming leidt daarentegen tot een syndroom van aangeleerde hulpeloosheid en gedragsgestoorde wanhoop.

Ik heb nog niet expliciet gesproken over de waarde-nihilist: de subjectivist of ethische scepticus die beweert dat elke waarde gewoon een mening vertegenwoordigt en dat het onmogelijk is om op logische wijze een ‘zou moeten’ af te leiden van een ‘is’.
Goed, laten we zeggen dat ik ondraaglijke pijn ervaar omdat mijn hand op een heet fornuis rust. Die pijn is intrinsiek motiverend, zelfs al volgt mijn overtuiging dat ik mijn hand moet terugtrekken niet uit de formele canon van logische deductie. Neemt men het wetenschappelijke wereldbeeld serieus, dan is er ontologisch niets bijzonder of bevoorrecht aan hier-en-nu of mij: de egocentrische illusie is een perspectiefbedrog dat door egoïstisch DNA ontstaat. Als ik geen ondraaglijke pijn zou mogen lijden, dan geldt dat voor iedereen, waar dan ook.

3: WAAROM HET ONVERMIJDELIJK IS

Goed, het is technisch haalbaar. Een wereld zonder lijden zou prachtig zijn, en volledig maakbare paradijselijkheid is nóg beter. Maar opnieuw luidt de vraag: wat dan nog? Het is ook technisch haalbaar om een cheddarkaas van duizend kubieke meter te maken. Waarom is het onvermijdelijk dat de wereld van lijden wordt bevrijd? Misschien is het alleen maar wensdenken. Misschien zullen we ervoor kiezen om de biologie van het lijden voorgoed te behouden2.

Het tegenargument is dat we, ongeacht onze mening over het abolitieproject, hoe dan ook afstevenen op een voortplantingsrevolutie van designerbaby’s. Aanstaande ouders zullen binnenkort de eigenschappen van hun toekomstige kinderen uitkiezen. We staan op de drempel van een post-darwinistische overgangsperiode, niet in die zin dat de selectieve druk minder hevig wordt, maar omdat de evolutie niet langer ‘blind’ of ‘willekeurig’ zal zijn. Natuurlijke selectie wordt vervangen door onnatuurlijke selectie. Wij zullen de genetische samenstelling van ons toekomstige nageslacht kiezen en allelen en allelcombinaties ontwerpen, vooruitlopend op hun consequenties. Er zal selectieve druk optreden tegen kwalijkere allelen en allelcombinaties die in de voorouderlijke leefomgeving adaptief waren.

Helaas is dit geen keihard argument, maar stel dat je het genetische ijkpunt voor stemmingen - de hedonistische constante - kunt kiezen voor je toekomstige kinderen. Hoe zou je die instellen? Misschien wil je geen gradiënten van levenslang supergeluk, maar het overgrote merendeel van de ouders zullen toch zeker kiezen voor gelukkige kinderen. Om te beginnen is het leuker om die op te voeden. Ik geloof oprecht dat de meeste ouders in de meeste culturen willen dat hun kinderen gelukkig worden. Tegenover ouders die beweren dat het geluk van hun kinderen het enige is wat telt, kun je sceptisch staan als je weet hoe ambitieus veel ouders zijn. Maar wanneer andere factoren gelijk zijn, duidt geluk op succes. Dit is waarschijnlijk de ultieme evolutionaire oorsprong van onze gelijke waardering van ons eigen geluk en dat van onze kinderen.

Uiteraard is het argument van ouderlijke keuze niet doorslaggevend. Het is vooral onduidelijk hoeveel generaties van vrije keuze op het gebied van voortplanting er nog volgen voordat radicale antiverouderingstechnologie een steeds stringentere collectieve regulering van onze voortplantingskeuzes zal afdwingen. Want een uitdijende bevolking van quasi-onsterfelijken kan zich niet ongebreideld vermenigvuldigen binnen een beperkte fysieke ruimte. Maar zelfs wanneer een gecentraliseerde regulering van voortplantingskeuzes de norm wordt en verwekking zelf een zeldzaamheid is, zal de selectieve druk tegen primitieve darwinistische genotypen waarschijnlijk intens zijn. Het is daardoor lastig om een voorstelling te maken van de toekomstige sociale structuren die werkelijk een opzettelijke schepping tolereren van aanleg voor depressie of angststoornissen, of zelfs voor de ‘normale’ pathologieën van niet-verbeterde bewustzijnstoestanden.

Niet-menselijke dieren

Tot dusver heb ik me gericht op het lijden van slechts één enkele soort. Deze beperking van het abolitieproject is bekrompen, maar onze antropocentrische vooringenomenheid is diep geworteld. Het jagen op, of doden of exploiteren van leden van andere soorten heeft de inclusieve fitheid van onze genen binnen de voorouderlijke leefomgeving versterkt. [Wat dat betreft lijken we meer op chimpansees dan op bonobo’s.] Dat betekent dat we dus, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het incesttaboe, geen aangeboren aversie hebben tegen bijvoorbeeld het jagen op en uitbuiten van niet-menselijke dieren. We lezen dat Irene Pepperbergs papegaai, waarmee we een paar honderd miljoen jaar geleden onze laatste gemeenschappelijke voorouder deelden, het mentale niveau van een driejarig kind had. Toch is het nog altijd legaal dat zogenaamde sporters ter ontspanning vogels afschieten. Als sportlieden baby’s en peuters van onze eigen soort voor de lol afschoten, zou men ze als criminele sociopaten beschouwen en opsluiten.

Er is dus een contrast: het belangrijkste nieuws in de media is vaak een vreselijk geval van mishandeling en verwaarlozing van een mensenkind, een ontvoerde peuter of Roemeense wezen die aan hun lot worden overgelaten. We richten onze haat het liefst op kinderverkrachters en kindermoordenaars. Toch betalen we zonder erbij na te denken voor de geïndustrialiseerde massamoord op andere wezens met bewustzijn, om ze op te kunnen eten. We eten vlees, ook al bestaat er een overvloed aan bewijs dat de niet-menselijke dieren die wij bedrijfsmatig fokken en doden, in functioneel, emotioneel en intellectueel opzicht - en nog belangrijker, in hun vermogen om te lijden - gelijk staan aan menselijke baby’s en peuters.

Vanuit het perspectief van een denkbeeldige godheid zou ik willen stellen dat wij ons in moreel opzicht net zo veel moeten bekommeren om de mishandeling van functioneel gelijkwaardige niet-menselijke dieren als om leden van onze eigen soort. De mishandeling en dood van een varken zou ons evenveel moeten aangrijpen als de mishandeling en dood van een menselijke peuter. Dit druist in tegen onze menselijke morele intuïtie, maar onze morele intuïtie is nu eenmaal niet te vertrouwen. Hij weerspiegelt onze antropocentrische vooringenomenheid, die niet alleen een morele beperktheid is maar ook een beperking van het intellect en de perceptie. Niet dat er geen verschillen bestaan tussen menselijke en niet-menselijke dieren, net zo min als dat deze ontbreken tussen zwarte en blanke mensen, vrijgeboren burgers en slaven, mannen en vrouwen, joden en niet-joden, homo’s en hetero’s. De vraag is eerder: zijn het moreel relevante verschillen? Dit is van belang, aangezien het moreel rampzalige gevolgen kan hebben wanneer wij vasthouden aan reële maar moreel irrelevante verschillen tussen wezens met bewustzijn. [Zo verdedigde Aristoteles bijvoorbeeld de slavernij. Hoe kon hij zo blind zijn?] Onze morele intuïtie is vergiftigd door genetisch eigenbelang en is niet ontworpen om zaken vanuit een onpartijdig, goddelijk perspectief te beoordelen. Maar grotere intelligentie brengt een groter cognitief vermogen voor empathie met zich mee - en mogelijk een grotere actieradius van mededogen. Misschien zullen onze superintelligente/superempathische afstammelingen het misbruik van niet-menselijke dieren met net zo veel afschuw bezien als wij kindermisbruik: een verwerpelijke perversiteit.

Of dat nu zo is of niet, we zullen elkaar toch zeker blijven opeten? Onze egocentrische vooringenomenheid is te sterk. We vinden vlees te lekker smaken. Is het idee van wereldwijd veganisme gewoonweg een utopische droom?
Misschien. Toch betekent de komst van met genetische techniek vervaardigd laboratoriumvlees dat wij binnen een paar decennia kunnen genieten van appetijtelijker ‘vlees’ dan nu verkrijgbaar is, zonder dat er wreedheid of doodslag aan te pas komt. Als voorproefje van wat komen gaat, werd in juni 2007 aan de Noorse Universiteit van Levenswetenschappen tijdens een workshop de aanzet gegeven tot het In Vitro Meat Consortium. Doorslaggevend is het feit dat de opkweek van vlees door middel van gentechnologie vanuit enkelvoudige cellen waarschijnlijk oneindig uit te breiden is: de wereldwijde massaconsumptie van laboratoriumvlees is potentieel goedkoper dan het gebruik van complete niet-menselijke dieren. Aangenomen dat in de nabije toekomst winstbejag en markteconomie behouden blijven, is het dus heel waarschijnlijk dat goedkoop, heerlijk laboratoriumvoedsel de industriële fok en massale doding van onze mede-aardbewoners zal vervangen.

Je kunt je sceptisch afvragen of de meeste mensen werkelijk overheerlijk laboratoriumvlees gaan eten, zelfs al is dat goedkoper en acceptabeler dan vlees van afgeslachte niet-menselijke dieren.
Als we ervan uit mogen gaan dat laboratoriumvlees goed gemarket wordt, zal dat wel lukken. Want wanneer we ontdekken dat we de smaak van laboratoriumvlees prefereren boven die van karkassen van dode dieren, zullen de morele argumenten voor een wreedheidloos dieet waarschijnlijk beter aanslaan dan heden ten dage.

Maar zelfs als we een wereldwijd veganisme hebben bewerkstelligd, dan zal er toch zeker in de natuur nog altijd afschuwelijke wreedheid voorkomen? Natuurdocumentaires geven ons een schattige Bambi-blik op de levende natuur. Het is slecht voor de kijkcijfers om een half uur lang te laten zien hoe een niet-menselijk dier sterft van honger of dorst, of langzaam verstikt en levend opgegeten wordt door een roofdier. En er moet toch zeker een voedselketen bestaan? De natuur is wreed. Maar roofdieren zullen altijd nodig blijven om een bevolkingsexplosie en een Malthusiaanse ramp te voorkomen, toch?

Helemaal niet. Als we willen, kunnen we de prikpil en hormonale implantaten gebruiken3, het ontwerp van het wereldwijde ecosysteem grondig herzien en het genoom van alle gewervelde dieren herschrijven om in de rest van de natuurlijke wereld ook het lijden af te schaffen. Want niet-menselijke dieren hoeven niet bevrijd te worden; zij moeten verzorgd worden. Wij hebben een plicht om voor hen te zorgen, zoals wij ook zorgen voor menselijke baby’s en peuters, ouderen en verstandelijk gehandicapten. Dit vooruitzicht lijkt ver van ons bed. Maar de stelselmatige vernietiging van habitat betekent dat aan het eind van deze eeuw onze wildreservaten de enige restjes natuur zullen vormen. In dierentuinen worden geen doodsbange, levende knaagdieren aan slangen gevoerd, aangezien we erkennen dat barbaars is. Zullen we dan echt wreedheid in onze wildreservaten blijven toelaten omdat dat ‘natuurlijk’ is?

De laatste beschavingsgrens op de planeet aarde is de oceaan. Intuïtief lijkt dit een te gecompliceerde opdracht. De exponentiële toename van computerrekenkracht en kennis binnen de nanorobottechnologie betekent echter dat we in theorie het mariene ecosysteem ook grondig kunnen herzien. Een dergelijke herziening is nu nog onmogelijk. Binnen een paar decennia zal het computertechnologisch haalbaar zijn, al wordt het een hele uitdaging. En uiteindelijk zal dat technische aspect triviaal lijken. Dus de vraag is: zullen we het daadwerkelijk doen? Moeten we het doen - of moeten we toch de darwinistische status quo behouden? Dit zijn duidelijk speculaties. Je kunt echter een beroep doen op het zogeheten principe van zwakke welwillendheid. In tegenstelling tot de controversiële stelling dat superintelligentie vanzelfsprekend superempathie met zich meebrengt, gaat het principe van zwakke welwillendheid er niet van uit dat onze technologisch en cognitief geavanceerde afstammelingen op moreel terrein verder gevorderd zullen zijn dan wij.

Laat me een concreet voorbeeld geven van de werking van dit principe. Bij de keuze tussen scharreleieren of legbatterijeieren zullen de meeste consumenten tegenwoordig de scharreleieren kopen. Als legbatterijeieren één cent goedkoper zijn, zullen de meeste mensen nog altijd kiezen voor de optie zonder wreedheid. Nee, de menselijke kwaadaardigheid, rancune en bloeddorst moet je nooit onderschatten. Maar de meesten van ons hebben in elk geval een zwakke neiging tot welwillendheid. Zodra de zelfopoffering groter wordt, bijvoorbeeld als scharreleieren twintig cent meer kosten, dan zakt de verkoop overduidelijk in. Mijn stelling is dat als - en met de nadruk op ‘als’ - de vereiste opoffering voor moreel apathische mensen weggevaagd of triviaal gemaakt kan worden, het abolitieproject tot in de verste uithoeken van de levende wereld uitgevoerd kan worden.

David Pearce
(2007)


ABOLITIONIST.COM
HOME
Utilitarianism
BLTC Research
Nanotechnology
Superhappiness?
Quantum Ethics?
Utopian Surgery?
The End of Suffering
Wirehead Hedonism
The Good Drug Guide
Paradise Engineering
Quotations on Suffering
Reprogramming Predators
The Reproductive Revolution
MDMA: Utopian Pharmacology
The Transhumanist Declaration
Critique of Huxley's Brave New World
Interview with Nick Bostrom and David Pearce

e-mail
info@abolitionist.com